trui@art-niva.be

 

aquarium uitnodiging

 

aquarium

installaties, collages en schilderijen van Trui Gysseling

tentoonstelling in Galerie De Nieuwe Vaart
opening 7 mei om 20 uur
8 tot 23 mei 2010

 

inleiding door Hendrik Braem

In een paradijselijke tijd kwam Trui Gysseling op het idee om lege transparante plastic-flessen een weg te laten vinden in onze eigen hof van Eden en ze te fotograferen.
Maar zoals met elk paradijs werd het veroordeeld tot een ver verleden waarvan slechts enkele tastbare sporen blijven nazinderen op de achtergrond van onze hersenschors.

En na verloop van tijd ontstond het idee dat als de fles zijn weg niet meer kan opsporen in de afgesloten tuin, de enige tastbare elementen die naar dit afgesloten verleden verwijzen dan maar hun plaats moesten vinden in de fles.

En uiteraard kon het niet bij één fles blijven eens de smaak te pakken, want oh zo zacht, warm licht, flexibel, makkelijk vervormbaar (in tegenstelling tot het edele glas).  
En al naar gelang de flessen geledigd werden vond de herinnering aan het paradijselijke gras zijn weg naar de fles want naast een nieuwe vormgeving mocht de fles tegelijk een nieuwe inhoudelijke bestemming krijgen en was meteen de aanzet gegeven tot het verzamelen van diverse soorten sprietjes.

 

Jaja, verzamelen, bij elkaar sprokkelen, uitpikken, uitlezen, redden, veroveren, buit maken, koesteren, venereren, zoveel werkwoorden om het oeroude magische karakter van die bijzondere niet in te tomen kriebel bij deze even te belichten: 

Plinius had het al over een accumulatie van antieke restanten  zoals de lier van Orpheus, de sandaal van Helena, de botten van het monster van Andromeda en later in onze middeleeuwen richtte zich de verzamelpassie vooral op het transcenderen van nogal ordinaire objecten zoals schedels, als deze van de heiligen Adelbert en Wenceslas, het slagijzer van de heilige Stefaan, het tafelkleedje, gebruikt bij het heilig avondmaal, een tandje, van de heilige Margriet, een stukje scheenbeen van de heilige Vitalis, een ribbetje van de heilige Sofie, de kin van de heilige Eobanus, de stok van Mozes, de jurk van Maria…

allemaal ter aanbidding aanwezig in de kathedraal van Praag, hoewel, ….dat avondmaalskleedje lijkt ook deel uit te maken van een collectie in Wenen, samen met de ruif van de kribbe van het kindje Jezus, de tand van Johannes de Doper en een botje van de heilige Anna …enfin ik zie u al verward en enigmatisch kijken naar de flessen buiten  …wat mag daar onder deze graszoden dan nog wel te vinden zijn?

 

Neenee,  met de nieuwe tijden verschoof ’s mensen aandacht eerder in de richting van wonderlijke objecten in het licht van nobeler doelen als daar zijnde de wetenschap en de kunsten en ging men over tot het etaleren van exotische trofeeën van dieren, mensen (denk maar aan Saartje Baartman, de Hottentotvenus) in fraaie museale vitrines tot en met het vullen van schuifjes, kaftjes en kastjes met steentjes, schelpjes, slakkenhuisjes, klokjes, lensjes, touwtjes en knoopjes, lepeltjes, postzegeltjes, snuifdoosjes, luciferdoosjes, muziekdoosjes, koekendoosjes, …. kevertjes…kraaltjes, knikkertjes, speelgoedfiguurtjes, 

…al naar gelang de eccletische eigen aard van de verzamelaar en of collectioniste….je zou er waarlijk liederlijk van worden, denk bvb. maar eens aan de lijst van Leporello in “Don Giovanni” met zijn collectie boerenmeisjes, dienstertjes, stadsmeisjes, gravinnen, baronessen, markiezinnen, prinsessen en nog veel meer vrouwen van alle rangen, soorten, maten en leeftijden ..oh hoe charmant die boekhouder, zo nauwgezet, 640 in Hongarije, 230 in Duitsland, 100 in Frankrijk, 91 in Turkije, 300 in Spanje….mocht Giovanni morgen alsnog ene Anna of Zerlina verschalken, er volgt à la minute een nieuwe catalogus.

 

Pfff…te gek toch, zult u tureluursgeweg denken, bij dit naar boven komende geborrel en uw wenkbrauwen even optrekken als ik u hierbij nog vertel dat dit ritmisch gescandeerde opsommen, deze stijlfiguur van de accumulmatie bestaat uit liefde voor de herhaling en hierin enerzijds het verlangen schuilt dat u allen kent met name het omarmen van de oneindigheid en daarmede ook de onsterfelijkheid.

De installatie met de grasflessen verbeeldt een sculptuur die zich doorheen de sprietjes fijn schapengras, blauw schapengras, lampenpoetsersgras,veldbeemdgras,straatgras, struisgras, raaigras, vedergras, veldblies en zegge, gevangen in hun transparante containertjes, oneindig voortzet buiten de eigen fysiek opgelegde grenzen…
De kevertjes geven de illusie dat zij weglopen buiten de grenzen van het opgespelde papier…

De pigmenten van de verf zetten zich in onze gedachten verder buiten de begrenzing van hun paneel, de lijnen lopen door….
Het is een kleurrijk spel met de suggestie van een daadwerkelijke oneindigheid.

 

En aan de andere kant schuilt hier  -niet zoals bij Rabelais, die met zijn chaotische en eindeloze opsommingen (denk maar aan zijn stuk over de spelletjes van Gargantua of over de manieren waarop men zijn gat kan afvegen) zijn minachting voor de systematiseringseisen aan de Sorbonne wou manifesteren-    maar het kenbaar maken van een vorm van wraak op wat kwam opborrelen uit het kinderlijke verleden waarbij pappie doodleuk een afgedankt boek perfect bruikbaar vond om een prille postzegelcollectie in onder te brengen…

hier nu lopen de kevertjes over doorgehaalde teksten weggerukt uit een ingebonden katern en  -en dit illustreert dan weer de macht en de controle van de collectioneur-  ze krawietelen netjes langs de rode kantlijnen hemelwaarts.

 

Gek toch voor het anders aan aarde en grassprietjes gebonden gedierte.
Het doet me denken aan een stukje dat ik laatst las in de Ademschommel van Herta Müller: in eigen vertaling

Hemel onder Aarde ste boven

In het zomerhuis op de Wensch, diep verscholen in de oofttuin, stond een houten bank, zonder leuning.
Ze noemde Oom Hermann.
De naam had ze, omdat we niemand kenden die zo noemde. Oom Hermann had in de aarde twee ronde voeten uit boomstammen. Alleen aan de bovenkant had hij een glad gezaagd zitvlak, aan de onderkant zat de schors nog aan het hout. In de blakende zon zweette Oom Hermann tranen van hars.
Pietste men ze eraf, dan waren ze ’s anderendaags weer aangegroeid.

Verder, boven aan de grasheuvel stond Tante Luia.
Zij had een leuning en vier benen en was kleiner en slanker dan Oom Hermann, en ouder dan hij. Oom Hermann is haar achterna gekomen.
Ik liet me van voor Tante Luia over de heuvel naar beneden rollen. Hemel beneden aarde boven en daar tussenin het gras.

Altijd hield het gras me aan de voeten vast, opdat ik niet de hemel in zou vallen. Altijd zag ik het grijze onderlijf van Tante Luia.
Op een avond zat moeder op Tante Luia en ik lag voor haar voeten ruggelings in het gras.

We keken omhoog, ze waren er allen tesaam de sterren.
En moeder trok de kraag van haar wollen jas over haar kin, totdat de kraag lippen kreeg. Totdat niet zij, maar de kraag zei: de hemel en de aarde zijn de wereld. De hemel is zo groot omdat daarin voor elk mens een mantel hangt. En de aarde is zo groot omwille van de grote afstanden tot aan de tenen van de wereld. Tot daar is het echter zo ver dat men met denken moet ophouden, want de afstanden voelt men opkomen als een lege onpasselijkheid in de maag.

Ik vroeg: waar is het het verst weg op de wereld.
Waar ze eindigt.
Bij de tenen.
Ja.
Zijn het er ook tien.
Ik geloof, ja.
Weet je, welke mantel jou toebehoort.
Pas als ik boven in de hemel ben.
Daar zijn toch de doden.
Ja.
Hoe komen ze daar heen.
Zij gaan mee met de ziel .
Heeft de ziel ook tenen.
Neen, vleugels.
Hebben de mantels mouwen.
Ja.
Zijn de mouwen hun vleugels.
Ja.
Zijn Oom Hermann en tante Luia een paar.
Als het hout trouwt, dan ja.
Toen stond moeder op en ging het huis in.
En ik zette me op Tante Luia, precies daar waar zij gezeten had. Daar was het hout nog warm.
In de oofttuin rilde de zwarte wind.

Hendrik Braem 7 mei 2010

 

Interview

Waarom de titel aquarium?

De aquariums vormen inderdaad maar een deeltje van de tentoonstelling. Maar ze behoren tot mijn meest recente creaties.

Hoe ben je op het idee gekomen om aquariums in flessen te maken?

Dat is moeilijk te achterhalen. Mijn ontwerpen rijpen zowel langzaam als schoksgewijs. Achteraf is het meestal moeilijk om een beginpunt of één inspiratiebron aan te duiden.

Het idee om met petflessen te werken houdt mij al meer dan tien jaar bezig. En de ene keer gaat het die kant op, de andere keer een andere kant. In het begin ging het mij vooral om het materiaal zelf en de vorm en de kleur van de flessen. Ik haalde er de oorspronkelijke etiketten af en gaf ze een nieuwe 'inhoud'.

Petflessen voelen zacht en warm aan terwijl glazen flessen koud en hard zijn. Petflessen laten zich ook gemakkelijk vervormen. Ze geven als het ware meer mee en spreken ook meer tot mijn verbeelding. En de flessen gingen een eigen leven leiden.

Is er een verband tussen je flessen en je ander werk?

Er is absoluut een verband met mijn ander werk. Het zou overdreven zijn om te stellen dat de flessen een rode draad vormen doorheen mijn werk, maar er is wel een voortdurende wisselwerking. Ook voor mijn schilderijen gebruik ik meer en meer geplastificeerde dragers en transparante verven.

installatie met flessen

 

http://portfolio.truigysseling.be/#9 

 

Verzamelaar van verzamelingen, verzamelaar van wat we wegwerpen, zo ontstaan veel werken van Trui Gysseling. Ze laat de natuur terug bezit nemen van lege petflessen, ze overwoekeren door gras of zich vullen met water als kleine aquariums.

In het achteloos weggeworpen blikje, platgereden en verschenen door de zon, schuilt een schoonheid die we zelden zien.

Trui verzamelt. Ze verzamelt petflessen zoals ze als kind kevers verzamelde, of prentjes, gewoon om de schoonheid die niemand zag. Verzamelingen die een nieuw leven gaan leiden, om naar te kijken, om van te genieten.

aquarium